Tekst Elja Trum.
Scherpte versus onscherpte: niet alles hoeft honderd procent haarscherp te zijn.
Scherptediepte is het gebied van voor tot achter dat scherp op de foto komt. Bij heel veel scherptediepte is alles op de foto scherp; bij heel weinig scherptediepte slechts een fractie van het onderwerp. Door de scherptediepte te verkleinen, accentueer je wat jij belangrijk vindt. Denk aan een portretfoto met een wazige - lees: onscherpe - achtergrond. Het scherpe onderwerp trekt alle aandacht, terwijl de onscherpe achtergrond de aandacht juist naar het scherpe gedeelte terugloodst.
Alleen het punt waarop je scherpstelt, is echt scherp. Alles daarvoor en daarachter wordt geleidelijk steeds onscherper. Op een gegeven moment bereik je het stadium dat de kijker iets niet langer als scherp maar als onscherp ervaart. De scherptezone is niet gelijk aan weerszijden van het scherpstelpunt verdeeld. Een ezelsbruggetje is dat ongeveer 1/3e van die zone voor het scherpstelpunt ligt, en 2/3e erachter. Dat geldt echter alleen bij ‘gemiddelde’ opnameafstanden. In het close-upgebied is de verhouding half-om-half, terwijl richting oneindig de bulk van de scherptezone steeds meer naar achteren opschuift.
Brandpuntsafstand en opnameafstand
De scherptediepte is van een aantal factoren afhankelijk, namelijk de brandpuntsafstand van het objectief, de afstand tot je onderwerp en het diafragma. Indirect speelt ook het formaat van de beeldsensor in je camera een rol.
Allereerst geldt: hoe langer de brandpuntsafstand, des te kleiner de scherptediepte. Bij een verdubbeling van de brandpuntsafstand (bijvoorbeeld van 100 naar 200 mm) neemt de scherptediepte af met een factor vier. Daarom vertonen veel foto’s met een telelens die typische wazige achtergronden. Voor de opnameafstand geldt het tegenovergestelde. Een verdubbeling (bijvoorbeeld van 1 naar 2 meter) levert viermaal zoveel scherptediepte op. Vandaar dat bij landschapsopnamen bijna alles scherp is, en bij een macrofoto bijna niets.
Uit het voorgaande volgt dat het voor de scherptediepte eigenlijk geen verschil maakt of je iets van dichtbij fotografeert met een groothoeklens, of van veraf met een telelens. Als het onderwerp even groot in beeld komt - een gelijke afbeeldingsmaatstaf, heet dat officieel -, blijft de scherptediepte gelijk. Doordat een teleobjectief echter een kleinere beeldhoek heeft, zie je een kleiner gedeelte van de onscherpe achtergrond. Je zoomt als het ware in op de onscherpte, waardoor deze meer opvalt dan bij gebruik van een groothoek.
Wat de sensorgrootte betreft, hoor je vaak dat een grotere sensor minder scherptediepte geeft. Op de keper beschouwd is het juist omgekeerd. Hoe groter het sensorbeeld, hoe minder je dit beeld hoeft te vergroten, waardoor eventuele onscherpte minder gauw opvalt. Dit effect wordt echter meer dan tenietgedaan door de langere brandpuntsafstanden die je bij een grotere sensor nodig hebt om eenzelfde beeldhoek te krijgen. Vandaar dat het bij compactcamera’s, met hun piepkleine beeldsensoren en bijbehorende ultrakorte brandpunten, zo lastig is om een storende achtergrond onscherp te krijgen.
Diafragma
Als je een specifieke foto voor ogen hebt, zit je veelal vast aan een bepaalde opname- en brandpuntsafstand. Hoe groot de scherptediepte uiteindelijk wordt, is in dat geval afhankelijk van het gebruikte diafragma. In de praktijk is dit het belangrijkste instrument om de scherptediepte van foto tot foto te regelen. Hoe groter de diafragmaopening, hoe kleiner de scherptediepte. Een beetje verwarrend hierbij is dat een hogere diafragmawaarde juist een kleinere diafragmaopening betekent, en dus een grotere scherptediepte. Om preciezer te zijn, levert een verdubbeling van de diafragmawaarde (bijvoorbeeld van F 4 naar F 8) ook een verdubbeling van de scherptediepte op.
Het diafragma gebruik je natuurlijk niet alleen om de scherptediepte, maar ook om de belichting te regelen. Een kleiner diafragma (hogere diafragmawaarde) laat minder licht binnen, waardoor je een langere sluitertijd krijgt. Een langere sluitertijd kan op zijn beurt eveneens onscherpte opleveren, in de vorm van bewegingsonscherpte (van het onderwerp) en trillingsonscherpte (van de camera). Ook dat komt, zij het wat beknopter, in het vervolg aan bod.
Al met al komen er dus nogal wat variabelen kijken bij het exact bepalen van de scherptediepte. Gelukkig kun je met een digitale camera meteen de scherptediepte controleren, zodat je de foto indien nodig met een ander diafragma kunt overmaken.
Via een beperkte, nauwkeurig geplaatste scherptediepte leid je de aandacht van de kijker naar de gewenste plek.
Foto: Ronald van Grinsven
Landschap 1
Voor diepte in een landschapsfoto werkt het goed om ook iets op de voorgrond herkenbaar in beeld te hebben. Doorgaans wil je, zoals hier, het hele beeld van voor tot achter scherp. Landschapsfotografen maken daarvoor gebruik van de hyperfocale afstand van een objectief. Dit is de kortste instelafstand waarbij onderwerpen in de verte nog als aanvaardbaar scherp worden weergegeven. Je kunt de afstand natuurlijk op ‘oneindig’ instellen, maar dan loopt de scherptediepte tot voorbij oneindig door. Met behulp van de hyperfocale afstand profiteer je optimaal van de scherptediepte: deze reikt dan van de halve hyperfocale afstand tot oneindig. Op internet zijn speciale tabellen te vinden, als er niet al zo’n tabelletje bij je objectief zat.
Hoe kleiner het diafragma, hoe groter de scherptediepte en hoe korter de hyperfocale afstand. Opmerkelijk genoeg kan een extreem kleine diafragmaopening (hoge diafragmawaarde), ondanks de toegenomen scherptediepte, per saldo niet meer maar juist minder scherpte opleveren. Elk objectief heeft een diafragma waarmee het qua scherpte optimaal presteert. Met even zoeken op internet ontdek je welk diafragma dat voor jouw objectief is. Gebruik dit diafragma wanneer mogelijk bij het maken van landschapfoto’s, tenzij je per se nog meer scherptediepte wilt.
ISO 200 • F 16 • 1/10e SEC
Foto: Jim van Loo
Landschap 2
De ‘bewogen’ lucht springt er op deze foto uit. Dit komt doordat de maker een lange sluitertijd heeft gebruikt. Deze bewegingsonscherpte is een andere vorm van onscherpte. Als een onderwerp van plaats verandert gedurende de belichting, dan komt het onscherp in beeld. Het precieze effect hangt af van de belichtingstijd en natuurlijk van hoe snel het onderwerp door het beeld beweegt.
Een variant van bewegingsonscherpte is trillingsonscherpte, die ontstaat als de camera tijdens de belichting beweegt. Dit kun je zien doordat in dat geval het hele beeld onscherp is. Bij bewegingsonscherpte is alleen het bewegende onderwerp onscherp.
ISO 100 • F 18 • 20 SEC
Foto: Jorinde van Ringen
Portret
Dankzij de beperkte scherptediepte werd een potentiële afleidingsfactor een mooie rustige achtergrond met een aangename kleur. Bij portretfotografie werkt weinig scherptediepte uitstekend. Alle aandacht gaat zo uit naar het onderwerp. Stel bij een portret altijd scherp op de ogen. Omdat we daar van nature erg op letten, valt eventuele onscherpte meteen uit de toon. Let er ook op dat de scherptediepte niet té klein wordt: een onscherpe neus doet het zelden goed. Ook de rest van het gezicht kun je het beste scherp houden. Een goed uitgangspunt is ervoor te zorgen dat de onscherpte ter hoogte van de oren begint. Onscherpe haren zijn doorgaans geen probleem. Uiteraard kun je dit soort richtlijnen altijd bewust doorbreken.
Gebruik voor een portretfoto een lichte telelens (circa 85 tot 150 mm, omgerekend naar kleinbeeld) en een grote diafragmaopening (F 2,8 tot F 5,6). Hoe dichter je op je model staat, hoe onscherper (en minder opvallend) de achtergrond.
ISO 100 • F 2,8 • 1/50e SEC
Foto: Peter Meijer
Groepen
Wanneer je meerdere mensen gelijktijdig op de foto wilt zetten, wordt het lastiger om een onscherpe achtergrond te combineren met scherpe ogen. Zeker indien je modellen zich op verschillende afstanden van de camera bevinden. Om toch een storende achtergrond te vermijden, houd je voldoende afstand aan tussen groep en achtergrond: zeg maar een meter of zes. Veel mensen hebben de neiging om dicht op de achtergrond te kruipen, dus hou dat goed in de gaten. Bij deze foto zorgt voldoende afstand tussen de kinderen en de bomen voor een onscherpe, rustige achtergrond.
ISO 200 • F 4,5 • 1/200e SEC
Foto: Remco Waanders
Erotiek
Een beperkte scherptediepte helpt een naaktfoto zachter en spannender te maken. Bij erotische fotografie is het de kunst om op de juiste plaats lichaamsdelen te verhullen. Dat geeft vaak meer spanning dan alles plompverloren laten zien. Scherptediepte is hiervoor een perfect middel. Daarmee kun je precies bepalen welke lichaamsdelen scherp in beeld komen en welke niet. Pas op dat je niet te weinig scherptediepte overhoudt! Wanneer je dicht op het model zit, zul je een wat kleiner diafragma (hogere diafragmawaarde) moeten gebruiken om te voorkomen dat er alleen iets ondefinieerbaar wazigs valt te zien.
ISO 50 • F 2,8 • 1/200e SEC
Foto: Steven Gillioen
Scherptedieptecontrole
De meeste spiegelreflexcamera’s hebben van oudsher een scherptedieptecontroleknop. Terwijl je door de zoeker kijkt, staat het diafragma namelijk helemaal open. Zo heb je altijd een zo helder mogelijk zoekerbeeld. Of het diafragma nu op F 4 of F 11 staat; je ziet altijd de scherptediepte zoals die bij de grootste opening (laagste diafragmawaarde) is. Pas zodra je op de ontspanknop drukt, gaat het diafragma daadwerkelijk dicht. Met de scherptedieptecontroleknop kun je het diafragma van tevoren tot de ingestelde waarde sluiten. Het zoekerbeeld wordt donkerder, maar geeft nu een indruk van de scherptediepte die je op de uiteindelijke foto mag verwachten. Meestal vind je deze knop aan de voorkant van je camera, vlak naast het objectief.
Architectuur
Bij deze abstracte architectuurfoto zijn onderwerp en afstanden moeilijk in te schatten. De grote scherptediepte draagt ertoe bij dat de kijker nergens concreet houvast aan heeft. Het is dus lastig om te zien hoe groot en hoe ver weg het onderwerp is. Dat maakt het beeld extra abstract. Moderne architectuur leent zich vaak goed voor dit soort foto’s.
Bij architectuurfotografie wil je veelal alles scherp hebben. Werk dus vanaf statief met een klein diafragma (hoge diafragmawaarde), zoals bijvoorbeeld F 11. Omdat voor dit soort foto’s vaak een groothoekobjectief wordt gebruikt, is de scherptediepte sowieso behoorlijk groot. Echte specialisten nemen dikwijls hun toevlucht tot (dure) tilt- en shiftobjectieven. Hiermee kun je bijvoorbeeld voorkomen dat een gebouw ‘omkukelt’. Maar je kunt met het tiltgedeelte ook een selectieve scherpte bereiken. Door die scherpte op één lijn in het beeld te leggen, krijg je een beetje het effect alsof je naar een foto van Madurodam kijkt.
ISO 200 • F 5,6 • 1/50e SEC
Foto: Demo
Macro
Doordat de opnameafstand zo’n grote invloed heeft op de scherptediepte, is bij macrofotografie een gebrek aan scherptediepte bijna vaste prik. Je moet vaak een diafragmawaarde van F 11 of hoger kiezen om een bloem of insect helemaal scherp te krijgen. Een hele uitdaging, temeer omdat je dan al snel licht tekortkomt. En als jij of je onderwerp na het scherpstellen ook maar een stukje beweegt, kun je een scherpe foto eveneens vergeten.
Mogelijke oplossingen zijn een statief of een (macro)flitser. De extreem kleine scherptediepte bij macrofotografie kun je trouwens ook in je voordeel aanwenden. Dan dient de bloem zelf als mooie onscherpe achtergrond. Wil je toch zo veel mogelijk scherptediepte, dan kun je ook een compactcamera gebruiken. Met z’n kleine sensor en extreem korte brandpuntsafstanden is die prima geschikt voor macrofoto’s.
ISO 400 • F 5,6 • 1/200e SEC
Foto: Marjen
Bokeh
Sommige objectieven geven een fraaiere onscherpte dan andere. Deze onscherpteweergave wordt aangeduid als bokeh. Doorgaans wordt een zachte, romige onscherpte zonder duidelijk zichtbare ‘diafragmavlekken’ als mooi ervaren. Het is geen vaste regel, maar duurdere lichtsterke objectieven hebben doorgaans een mooier bokeh dan goedkopere objectieven. Ook de vorm van het diafragma (onder meer bepaald door het aantal diafragmalamellen) speelt een rol.
Sport 1
Bij sportfoto’s is, net als bij portretten, weinig scherptediepte erg populair. Een scherpe sporter die duidelijk afsteekt tegen de onscherpe achtergrond, helpt natuurlijk ook om de aandacht op het gewenste punt te leggen. Harde noodzaak speelt echter eveneens een rol. Als je een snelbewegend onderwerp wilt ‘bevriezen’, moet je een korte sluitertijd gebruiken. Zeker bij weinig licht betekent dat een groot diafragma (lage diafragmawaarde), met weinig scherptediepte als logisch gevolg. Temeer omdat lange teleobjectieven bij sportfotografie schering en inslag zijn.
Bij deze foto is de scherptediepte zodanig dat de tweede motorrijder nog steeds duidelijk genoeg zichtbaar is. Anderzijds is de scherptediepte voldoende beperkt om de mensen op de achtergrond te vervagen. Hierdoor zijn ze wel nog als publiek herkenbaar, maar trekken ze geen aandacht weg van het hoofdonderwerp.
ISO 200 • F 6 • 1/1600e SEC
Foto: Jack Amels
Sport 2
Bij sportfoto’s kun je ook juist een wat langere sluitertijd kiezen, om zo de snelheid te benadrukken. Vooral bij auto- en motorsport wordt dit veel gedaan. Bij een tot aan de velgen toe ‘bevroren’ sportauto kun je immers niet zien of die tweehonderd rijdt dan wel stilstaat. Door je camera met het onderwerp mee te trekken en een iets langere sluitertijd te gebruiken, laat je de beweging zien terwijl je de voor- en achtergrond mooi onscherp maakt. Gebruik bij voorkeur een wat kleiner diafragma (hogere waarde) zoals F 8 of F 11 om de benodigde sluitertijd te halen. Door de grotere scherptediepte loop je minder risico dat het bewegende onderwerp uit de scherpte verdwijnt, terwijl de omgeving door de beweging vervaagt.
De optimale sluitertijd varieert van geval tot geval, en is afhankelijk van de snelheid van het onderwerp, de afstand en het gebruikte objectief. In de meeste gevallen kom je ergens tussen 1/200e en 1/30e seconde uit. Een eenbeenstatief (‘monopod’) komt bij meetrekken vaak goed van pas.
IS0 1600 • F 2,8 • 1/20e SEC
Foto: Robbie Hifi
Totale onscherpte
Een bijzondere manier om scherpte fotografisch te gebruiken, is door het volledig ontbreken ervan. Het is frappant hoeveel interessante foto’s er gemaakt worden die, in plaats van niet helemaal, helemaal níet scherp zijn. Soms door beweging, soms door een bewust ‘verkeerde’ scherpstelling. In volledig onscherpe foto’s kun je als kijker veel fantasie kwijt. Vaak wekken dergelijke foto’s vooral een gevoel op. Het is namelijk goed mogelijk om een bepaalde emotie in onscherpte te leggen, van romantisch tot eenzaam of gewelddadig. Hier verleent de onscherpte de foto ook een schilderachtig effect.
ISO 200 • F 8 • 2 SEC
Foto: Yvonne Weverink
Aan de slag
Zoals je hebt gezien, komt er veel kijken bij scherpte en onscherpte in een foto. In de praktijk komt het neer op het kennen van de basisregels en veel experimenteren. Het loont in elk geval ruimschoots de moeite om de volgende keer voordat je een foto maakt na te denken over hoeveel scherptediepte je wilt, en waar deze moet komen te liggen. Vaak betekent dit de keus voor een ander diafragma; soms voor een andere opnameafstand, een ander objectief of zelfs een andere camera.
Permalink











