2302 keer bekeken
1

jong mannetje van de eidereend

9 februari, 2011
bedankt voor de reacties op m,n eidereend het vrouwtje.deze foto is ook van gisteren ons rondje lauwersmeer.gr jans. Wetenschappelijke naam: Somateria mollissima (Linnaeus, 1758) Nederlandse naam: Eidereend Vogelgroep: Duikeenden Veldkenmerken. 50-71 cm. Een grote, zware zeeëend met lange kop. Mannetje is enige eend met zwarte buik en witte rug. Borst wit met roze tint; kop wit met zwarte kruin; groene vlekken op zijden van nek en achterhoofd; witte vlek op stuitzijden. Zwaar in vlucht, met korte, dikke nek en geheel witte voorvleugel, contrasterend met zwarte veerschachten. Snavel met lang, driehoekig profiel, in bijna rechte lijn overlopend in plat voorhoofd, olijfgrijs, met gele of groene tint aan basis. Mannetje in eclipskleed zeer variabel, voornamelijk zwartachtig bruin behalve witte vlek op zijden en wit op vleugel. Vrouwtje warmbruin met zwarte streping, in vlucht met twee beige of witte vleugelstrepen. Juveniel lijkt op vrouwtje maar doffer. Jonge vogels ruien langzaam naar adult kleed en mannetjes daarom met onregelmatige zwart-witte tekening. Geluid. Mannetje tijdens balts een laag, kreunend ’ah-oe’. Vrouwtje ’kok kok’. Voorkomen. Algemeen in Noord Europa en IJsland. Habitat. Broedt langs laag liggende kusten, eilanden, scherenkusten, riffen metrotsige of zandige kusten. Buiten broedseizoen voornamelijk op zee. Voedsel. Duikt naar bodemdieren, voornamelijk schelpdieren en, in mindere mate, garnalen en zeeëgels. Eet ook wel vis, zeeanemonen, inktvis, insecten etc. Vrouwtje in broedgebied eet ook bessen, groene algen, bladeren en zaden. Prooi wordt onder water ingeslikt of naar boven gebracht en geschud om schelphelften los te schudden. Ei. Vaak met olieachtige laag, soms zonder tekening of met donkergroene tekening. Basiskleur groenig grijs/groen, soms vuilwit, zelden blauw. Schaal glad, niet glanzend. Vorm subelliptisch/lang subelliptisch. Formaat 77 x 52 mm (68-88 x 47-57), gewicht 109 g (87-127). EIDEREEND Verspreiding : Noorden van Europa, van Azie en van Amerika. Veldkenmerken : Grote plompe duikeend met lange snavel die in lijn doorloopt tot op het platte voorhoofd; adult woerd in prachtkleed met witte rug en dijvlek, roomkleurige witte borst, lichtgroene nek en snavel, zwarte buik, start en schedel: eend bruin met witte vlekken op zwarte dwarslijntjes; jongen woerden bruin met heldere oogstreep, later met witte vlekken op borst en rug (zoals woerd in rustkleed); bijna steeds op zee, duikt vaardig; veel geroep bij de balts. Biotoop : Voedselrijke zeekusten met eilandjes, rotsklippen of binnenzeeen, in het Noorden ook beboste eilanden. Tijdens de trek vooral nabij mosselbanken, zelden in binnenland (zwitserse meren); duikt (met halfopen vleugels) naar weekdieren (50 %, waarven 30-60 % mossels), schaaldieren (krabben), enz. (zelden vis). Voortplanting : Van april (Nederland)tot in juli (Spitsbergen) 4 tot 6 grauwgroene eieren in met wat gras, mos en veel licht bruingrijs nestdons (eider-dond) belegde nestkuil tussen de begroeiing, onder boomstronken, tussen rotsstenen of zonder decking, nabij het water. De eend bouwt en broedt alleen = 25- 26 dagen lang; de kuikens vliegen na = 70 dagen. Per jaar 1 enkel broedsel. Woont vaak in groet colonies. Verplaatsingen : Overwegend standvogel, die soms echter grote afstanden aflegt, onder invloed bv. Van plotse vorst.
Alle rechten voorbehouden
Meer info tonen

Instellingen

Gebruikte apparatuur

D5600

Komt voor in