Als je net begint met fotograferen, is de kans groot dat je camera vooral in de automatische stand staat. Dat is logisch: je hebt net een nieuwe camera, wilt mooie foto’s maken en dan kunnen de instellingen best lastig zijn. Toch hoor je vaak dat je “zo snel mogelijk van de automatische stand af moet”. Maar is dat wel echt nodig? En wanneer kies je voor de M-stand? In dit artikel leggen we de verschillen uit en helpen we je ontdekken wat op welk moment het beste werkt.
Foto: corvee1r - ISO 100 · ƒ/7.1 · 1/100s · 14mm
Starten met de automatische stand
De automatische stand is er niet voor niets. Je camera bepaalt hierbij zelf de sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde, op basis van het licht en de situatie. Dat maakt deze stand ideaal als je net begint, of als je snel een moment wil vastleggen zonder na te denken over instellingen.
Het grote voordeel is dat je je volledig kunt richten op het onderwerp en de compositie. Je hoeft niet bang te zijn dat je foto technisch mislukt door een verkeerde instelling. Het nadeel is wel dat je weinig controle hebt over het eindresultaat. De camera weet niet wat jij belangrijk vindt: wil je een onscherpe achtergrond, beweging bevriezen, of juist laten zien? In de automatische stand maakt de camera die keuzes voor jou.
Wat mis je in de automatische stand?
Hoewel de automatische stand vaak prima belicht, leer je er technisch gezien minder van. Je ziet niet altijd waarom de camera bepaalde keuzes maakt en je kunt die keuzes ook nauwelijks sturen. Daardoor kan het lastiger zijn om bewust te spelen met scherptediepte, beweging of sfeer. Zeker als je merkt dat je foto’s “wel oké”zijn, maar nog niet helemaal zoals je ze voor ogen hebt, kan dat frustrerend zijn.
Foto: joepphotography
Volledige controle met de M-stand
In de M-stand (manuele stand) bepaal je zelf alle instellingen: diafragma, sluitertijd en ISO. Dat klinkt spannend, maar het geeft je ook maximale vrijheid. Jij beslist of de achtergrond onscherp wordt, of de beweging wordt vastgelegd of juist vervaagt en hoe licht of donker je foto mag zijn.
De M-stand is vooral geschikt als je de basis van de belichtingsdriehoek begrijpt en bewust keuzes wil maken. Bijvoorbeeld bij landschappen, portretten of situaties met lastig licht, waar de automatische stand vaak de mist in gaat. Het kost meer tijd en je maakt er, zeker op het begin, vast een hoop fouten mee, maar je leert er ook ontzettend veel van.
Foto: YBFOTO
Halfautomatische standen
Goed om te weten is dat er ook halfautomatische standen bestaan en dat je dus niet direct van automatisch naar volledig handmatig over hoeft te stappen. De meeste camera’s hebben namelijk ook halfautomatische standen, zoals diafragmavoorkeuze (A of Av) en sluitertijdvoorkeuze (S of Tv). Hierbij bepaal jij één instelling en laat je de camera de rest doen. Dit is een ideale manier om te oefenen en stap voor stap meer controle te krijgen. Deze standen zijn ook handig als je wel wat meer controle wil, maar geen tijd hebt om alle instellingen zelf te bepalen, bijvoorbeeld bij sterk wisselend licht in drukke situaties.
Wat is de beste keuze?
Er is geen “beste” stand die altijd voor iedereen werkt. De een zweert bij volledig manueel, de ander kiest graag een halfautomatische stand en weer een ander fotografeert meestal volledig automatisch. De automatische stand is voornamelijk perfect om mee te beginnen, de M-stand is ideaal als je bewust wil fotograferen en meer uit je camera wil halen. Het belangrijkste is dat je durft af te wisselen, verschillende standen uitprobeert en ontdekt wat bij jou past.
Opmerkingen