Grip op licht - Zo gebruik je je flitser!
De feestdagen zijn achter de rug, de dagen worden weer wat langer, maar écht licht is het nog niet. Zeker binnenshuis of op sombere dagen is het vaak nét te donker om zonder hulp mooie foto's te maken. Gelukkig kun je als fotograaf altijd je eigen licht meenemen: met een flitser. In dit artikel leer je hoe je dat kunstlicht goed inzet, voor foto's die fris, natuurlijk en goed belicht zijn, zelfs bij lastig licht.
Wat doet een flitser eigenlijk?
Een flitser geeft, in tegenstelling tot daglicht of een lamp, geen continu licht. De flitser vuurt pas op het moment van de opname een korte, krachtige lichtpuls af. Die duurt slechts een fractie van een seconde. Dat is precies lang genoeg om je onderwerp goed te belichten. Maar het effect van zo’n korte flits is lastig in te schatten. Daarom is het slim om eerst te oefenen met een zaklamp: richt die eens in het donker op verschillende voorwerpen in huis. Let op hoe licht zich verspreidt, hoe schaduwen ontstaan en wat het doet met afstand. Dat geeft je snel meer gevoel voor wat een flitser doet.
Flitskracht en afstand
Net als bij een zaklamp wordt het licht van een flitser zwakker naarmate het verder moet reiken. Fotografeer je iets van dichtbij, dan is de flits fel en gericht. Fotografeer je iets op een paar meter afstand, dan is de lichtvlek groter maar minder intens. Je moet dus rekening houden met afstand, een belangrijke factor voor een goede belichting.
De camera helpt je gelukkig een handje. Voordat de flitser echt afgaat, stuurt hij een korte voorflits uit om de situatie te meten. Zo bepaalt de camera razendsnel hoeveel licht er nodig is. De flitser past daar de duur van de lichtflits op aan, niet de felheid zelf.
Foto: joris-1
Soorten flitsers
Je hebt flitsers in allerlei soorten en maten:
Ingebouwde flitsers vind je op compact- en spiegelreflexcamera’s. Ze zijn handig, maar minder krachtig en zitten dicht bij de lens. Dat vergroot de kans op rode ogen en vlak licht.
Opklapbare flitsers (vaak in spiegelreflexen) geven iets meer kracht en zitten iets verder van de lens af, wat al helpt bij mooiere portretten.
Externe flitsers (ook wel opsteek- of systeemflitsers genoemd) geven verreweg het mooiste resultaat. Ze hebben meer vermogen, laden snel op, en je kunt ze draaien of los van de camera gebruiken voor creatiever licht.
Flitsbelichting in balans brengen
Flitslicht en bestaand licht werk je het liefst mooi samen in één beeld. Zeker nu, in februari, je vaak fotografeert in sfeervol binnenlicht. Bijvoorbeeld een portret bij het raam, een verjaardag binnenshuis of een gezellig etentje.
Gebruik dan
©TvDamFotoqrafie
Foto: tvdam_zoom
flitsbelichtingscompensatie om het flitslicht bij te stellen. Zo voorkom je dat je onderwerp overbelicht wordt, terwijl je de sfeer van het bestaande licht behoudt. Een voorbeeld: fotografeer je iemand met een donker shirt? Dan denkt de flitser al snel dat er méér licht nodig is en is je foto overbelicht. Dat los je op met een minwaarde in de flitscompensatie.
Let op: flitscompensatie is iets anders dan gewone belichtingscompensatie. Die laatste beïnvloedt alleen het omgevingslicht.
©Joke Schut Photography
Foto: jokeschut
Achtergrond donker? Licht mengen!
Een veelvoorkomend probleem bij flitsfoto’s is dat de achtergrond zwart wegvalt. Dat gebeurt omdat de flits vooral het voorgrondonderwerp belicht. Wil je toch die gezellige lichtjes, versiering of sfeer op de achtergrond laten terugkomen? Dan moet je het omgevingslicht beter benutten.
Dat doe je door:
je sluitertijd te verlengen,
de iso-waarde te verhogen,
of eventueel belichtingscompensatie in te stellen (+1 of +2).
Let er wel op dat je onderwerp niet overbelicht raakt, stel dan je flitssterkte iets lager in. Zo krijg je een goed belicht gezicht én een sfeervolle achtergrond.
Let op bij sluitertijd
Veel fotografen denken dat de sluitertijd invloed heeft op het flitslicht. Dat is niet zo. De lichtflits is zó kort dat het niet uitmaakt of je sluitertijd 1/10 of 1/200 seconde is. Het flitslicht blijft gelijk. Wat wél verandert, is hoe het omgevingslicht op de foto komt. Dus: sluitertijd beïnvloedt je achtergrond, niet je flitslicht.
©Nieske Siepel
Foto: BNN
Licht kaatsen voor natuurlijker resultaat
Gebruik je een externe flitser? Dan kun je het licht vaak richten. Kaats het licht via een wit plafond of een muur, en je krijgt zachter, natuurlijker licht. Net alsof het daglicht van boven komt, iets wat we als prettig ervaren. Een paar aandachtspunten:
gebruik een wit plafond of muur, anders krijgt je flitslicht een kleurzweem;
let op de hoogte van het plafond. Hoe hoger, hoe diffuser (en minder krachtig) het licht terugkomt;
bij portretstand draai je de flitskop zijwaarts om toch naar boven te kaatsen.
Snel en simpel: slow sync
Geen zin in veel gedoe? Kijk dan of je camera een ‘slow sync’ optie heeft. Dat is een automatische flitsmodus waarbij je camera zelf een lange sluitertijd combineert met flitslicht. Zo leg je het omgevingslicht én je onderwerp in één keer goed vast. Vooral handig bij feestjes of in sfeervol binnenlicht.
Let wel op bij langere sluitertijden. Je achtergrond kan onscherp worden door beweging. Gebruik een statief of zet beeldstabilisatie aan als je uit de hand fotografeert.
Of je nu portretten maakt, sfeerbeelden in huis schiet of creatieve effecten wil creëren, een flitser geeft je de controle over licht wanneer dat ontbreekt. En met een paar simpele aanpassingen zorg je ervoor dat je foto’s er professioneel uitzien. Dus laat je niet tegenhouden door het grijze weer van februari. Zet je flitser aan, speel met het licht en blijf gewoon door fotograferen.
Meer leren over flitstechniek? Bekijk onze cursus Flitsen en Flitstechniek in Zoom Academy.
Opmerkingen