Bij Auto-ISO kiest de camera automatisch de lichtgevoeligheid die nodig is voor een goede belichting. Wordt het donkerder, dan verhoogt de camera de ISO-waarde. Komt er meer licht, dan wordt die waarde weer verlaagd. Dat is vooral handig wanneer het licht voortdurend verandert, bijvoorbeeld op straat, tijdens een sportwedstrijd of wanneer een dier van een open veld een donker bos in loopt.

Auto-ISO betekent niet dat de camera alle keuzes maakt. Je kunt meestal zelf bepalen hoe hoog de ISO-waarde maximaal mag oplopen. Veel camera’s bieden daarnaast de mogelijkheid om een minimale sluitertijd in te stellen. Daarmee geef je de camera duidelijke grenzen waarbinnen de automatische functie mag werken.

Voordat je Auto-ISO inschakelt, bepaal je welk onderdeel van de belichting je zelf wilt controleren. Bij een portret kan dat het diafragma zijn, omdat je een zachte achtergrond wilt. Bij sport- of dierenfotografie is de sluitertijd vaak belangrijker, omdat je beweging scherp wilt vastleggen.

In de A- of Av-stand kies jij het diafragma en zoekt de camera daar een sluitertijd en ISO-waarde bij. In de S- of Tv-stand kies je zelf hoe beweging wordt weergegeven. Met 1/1000 seconde bevries je bijvoorbeeld een rennende hond of sporter.

Foto: Annecreation

Een krachtige combinatie is de handmatige M-stand met Auto-ISO. Je kiest dan zelf zowel de sluitertijd als het diafragma. De camera verandert alleen de ISO-waarde om de belichting op peil te houden.

Stel dat je vogels fotografeert. Je kiest 1/1600 seconde om vleugelbeweging te bevriezen en F 6,3 voor voldoende scherptediepte. Vliegt de vogel voor een donkere bomenrij langs, dan verhoogt de camera de ISO. Tegen een lichte lucht wordt de ISO weer lager. Ook bij straatfotografie werkt dit prettig: je instellingen bepalen het uiterlijk, terwijl Auto-ISO de verschillen in licht opvangt.

Bepaal vooraf bij welke ISO-waarde jij de beeldkwaliteit nog goed vindt. Moderne camera’s kunnen vaak prima overweg met ISO 3200 of ISO 6400, zeker wanneer je in raw fotografeert. Een scherpe foto met wat ruis is meestal bruikbaarder dan een gladde maar bewogen foto.

In de A- of Av-stand kun je bij veel camera’s ook een minimale sluitertijd instellen. Beeldstabilisatie helpt tegen jouw beweging, maar niet tegen een wandelend mens, spelend kind of bewegend dier. Voor rustig poserende mensen kan 1/250 seconde voldoende zijn; voor actie heb je al snel 1/500 of 1/1000 seconde nodig.

Foto: p.heins

Auto-ISO is niet in iedere situatie nodig. In een studio blijft het licht doorgaans gelijk en geeft een vaste, lage ISO-waarde een voorspelbaar resultaat. Ook bij landschapsfotografie vanaf statief kun je meestal bewust voor ISO 100 kiezen en de sluitertijd laten oplopen.

Bij lange sluitertijden, lichtstrepen en panoramareeksen werkt een handmatige ISO-waarde vaak overzichtelijker. Zo voorkom je dat de helderheid per opname verandert.

Met Auto-ISO kan een foto nog steeds te licht of te donker uitvallen. De lichtmeter weet immers niet welke sfeer jij wilt maken. Gebruik in zulke situaties belichtingscorrectie. Ook in de M-stand met Auto-ISO ondersteunen veel moderne camera’s deze functie. Met een kleine correctie maak je het beeld bewust lichter of donkerder zonder je sluitertijd en diafragma los te laten.

Foto: PawsofJoycePhotography

De kracht van Auto-ISO zit niet in gedachteloos automatiseren. Je geeft de camera één afgebakende taak: de gevoeligheid aanpassen aan het beschikbare licht. Jij blijft verantwoordelijk voor de scherptediepte, de weergave van beweging en het moment waarop je afdrukt.

Stel je grenzen vooraf in en controleer tijdens de eerste opnamen of de gekozen waarden goed bij je onderwerp passen. Daarna kun je minder naar de knoppen kijken en meer aandacht geven aan wat er voor je lens gebeurt.